Van Buuren Museum

Léo Erreralaan 41
1180 Ukkel, Brussel – België

In de vroege ochtend van 16 juli 2013 werd het Van Buuren Museum in Ukkel getroffen door een spectaculaire kunstroof. In slechts twee minuten en drie seconden verdwenen tien schilderijen en twee tekeningen uit de collectie. Tot de belangrijkste buit behoorden La Penseuse van Kees van Dongen en Garnalen en schelpdieren van James Ensor.

De totale waarde van de gestolen kunst werd destijds op ongeveer 1,5 miljoen euro geschat. Alleen al La Penseuse had een geschatte vervangingswaarde van ongeveer 1,2 miljoen euro.

 

Een bijzonder museum

Het Van Buuren Museum is geen traditioneel museumgebouw. Het was de woning van de Nederlandse bankier en kunstverzamelaar David van Buuren en zijn Belgische vrouw Alice Piette.

David van Buuren vestigde zich in 1909 in Brussel. Samen met Alice bouwde hij een bijzondere kunstcollectie op. Hun in 1928 gebouwde villa werd ingericht als een zorgvuldig samengesteld geheel van architectuur, meubels, tapijten, decoratieve kunst en schilderijen.
Het interieur vormt een bijzonder voorbeeld van art deco. Aan de muren hingen werken van oude meesters naast moderne kunst van onder anderen James Ensor, Kees van Dongen, Constant Permeke en Gustave Van de Woestyne.

David overleed in 1955. Alice richtte in 1970 een stichting op waaraan zij het huis, de kunstcollectie en de tuinen naliet. Na haar overlijden in 1973 bleef het geheel bewaard en in 1975 werd de woning een museum.

Daardoor heeft het Van Buuren Museum nog altijd het karakter van een woonhuis. De schilderijen hangen niet in grote museumzalen, maar maken deel uit van het oorspronkelijke interieur.

De kunstroof

In de vroege ochtend van 16 juli 2013 drongen twee gemaskerde mannen het museum binnen. Ze forceerden een vensterdeur op de begane grond, waarna het alarmsysteem onmiddellijk werd geactiveerd.

De daders gingen daarbij opvallend doelgericht te werk. Op de benedenverdieping namen ze in het Zwart Salon onder meer La Penseuse van Kees van Dongen en Garnalen en schelpdieren van James Ensor van de muur. In het Groot Salon verdween een tekening die destijds aan Vincent van Gogh werd toegeschreven.

Maar daar bleef het niet bij. De dieven gingen ook naar de bovenverdieping. Daar sloegen ze vitrines stuk en namen verschillende kleine panelen mee, waaronder werken die werden toegeschreven aan Pieter Brueghel de Jonge en Adriaen Brouwer.

Dit alles gebeurde in slechts twee minuten en drie seconden. Die enorme snelheid doet vermoeden dat de daders het museum en de plaats van de kunstwerken vooraf goed kenden. Ze leken precies te weten waar ze moesten zijn en welke werken ze wilden meenemen.

In totaal verdwenen tien schilderijen en twee tekeningen. Niet alle gestolen werken zijn in de openbare berichtgeving bij naam genoemd. Een aantal van de gestolen werken kennen we echter wel.

De conciërge was gewoon aanwezig

Tijdens de kunstroof was het museum niet helemaal verlaten. De conciërge bevond zich in het gebouw en werd door het alarm gewekt. Hij waarschuwde onmiddellijk de politie, maar de inbrekers waren zo snel dat zij alweer waren verdwenen voordat agenten arriveerden.

De hele roof duurde slechts twee minuten en drie seconden. Dat betekende dat de daders in die korte tijd het museum binnenkwamen, verschillende kunstwerken van de muur haalden, naar de bovenverdieping gingen, vitrines stuk sloegen en met hun buit weer naar buiten verdwenen.

Juist die snelheid maakte de roof zo opmerkelijk. Alles wijst erop dat de daders weinig tijd nodig hadden om te zoeken: ze leken vooraf precies te weten waar ze moesten zijn.

 

Een opmerkelijke keuze

De daders namen niet simpelweg de beroemdste werken uit het museum mee. Andere belangrijke schilderijen bleven gewoon hangen.

Dat maakte de keuze van de buit opvallend.

Volgens kunstkenners wees de snelheid waarmee de daders te werk gingen erop dat de roof vooraf was voorbereid en dat zij waarschijnlijk wisten waar de gewenste werken zich bevonden.

Al snel werd ook duidelijk dat vooral La Penseuse nauwelijks op de reguliere kunstmarkt verkocht kon worden. Het schilderij was daarvoor simpelweg te bekend.

Daarmee ontstond een andere mogelijkheid: misschien waren de schilderijen helemaal niet gestolen om te worden doorverkocht.

Kunst als gijzelaar

Die gedachte bleek niet ongegrond.

Na de roof werd contact gezocht over de mogelijke teruggave van de gestolen kunstwerken in ruil voor geld. Daarmee kreeg de zaak het karakter van wat ook wel artnapping wordt genoemd: kunst wordt gestolen en vervolgens als het ware gegijzeld om losgeld te eisen.

Een undercoveragent van de speciale eenheden van de Belgische federale politie deed zich voor als tussenpersoon van de verzekeraars. Het doel was niet alleen de kunstwerken terug te krijgen, maar ook te achterhalen wie achter de afpersing zat.

De onderhandelingen duurden uiteindelijk tot mei 2015, maar liepen vast. De kunstwerken werden niet teruggegeven.

De gestolen kunstwerken

La Penseuse – Kees van Dongen

Het belangrijkste werk dat tijdens de roof verdween was La Penseuse uit 1907 van de Nederlandse schilder Kees van Dongen. Het schilderij toont een vrouw met een grote hoed en is geschilderd in de krachtige kleuren die kenmerkend zijn voor Van Dongens werk uit deze periode.

Het werk had bovendien een bijzondere plaats in het interieur van het museum. David en Alice van Buuren lieten een tapijt maken waarvan de kleuren waren afgestemd op La Penseuse. De geschatte vervangingswaarde van het schilderij bedroeg ongeveer 1,2 miljoen euro. Daarmee was het veruit het kostbaarste werk dat tijdens de roof werd meegenomen.

Garnalen en schelpdieren – James Ensor

Ook Garnalen en schelpdieren (Crevettes et coquillages) uit 1894 van James Ensor behoorde tot de buit. Het is een klein stilleven met garnalen en schelpen.

Ensor is vooral bekend om zijn schilderijen met maskers, skeletten en soms bizarre figuren, maar hij maakte gedurende zijn leven ook veel stillevens. Garnalen en schelpdieren laat daardoor een heel andere kant van zijn kunstenaarschap zien. Het werk werd ten tijde van de roof op ongeveer 200.000 euro geschat.
Afbeeldingen van dit schilderij zijn helaas niet meer te achterhalen.

Een vermeende Van Gogh

Een van de opmerkelijkste gestolen stukken was een tekening van een vrouw die aardappelen schilt. Het werk werd lange tijd toegeschreven aan Vincent van Gogh.

Over die toeschrijving bestonden echter al vóór de kunstroof ernstige twijfels. Deskundigen wezen onder meer op het gebruikte papier, bepaalde details in de tekening en de signatuur, die niet goed zouden overeenkomen met authentieke werken van Van Gogh.

De dieven namen dus mogelijk zonder het te weten een vervalste Van Gogh mee.

Een werk van Brueghel

Op de bovenverdieping verdween ook een klein paneel van een kunstenaar uit de beroemde familie Brueghel. In de berichtgeving na de roof wordt het werk meestal toegeschreven aan Pieter Brueghel de Jonge, de oudste zoon van Pieter Bruegel de Oude. Andere bronnen spreken echter van Jan Brueghel. De precieze titel van het gestolen werk wordt niet vermeld.

Pieter Brueghel de Jonge werd vooral bekend met levendige dorpsgezichten en voorstellingen van het boerenleven. In zijn atelier werden bovendien verschillende versies gemaakt van succesvolle composities van zijn beroemde vader.

Een werk van Adriaen Brouwer

Tot de buit behoorde ook een klein paneel van de Vlaamse schilder Adriaen Brouwer. Ook van dit werk wordt in de openbare berichtgeving geen betrouwbare titel genoemd.

Brouwer leefde in de eerste helft van de zeventiende eeuw en werd vooral bekend met kleine schilderijen van het alledaagse leven. Hij schilderde bijvoorbeeld boeren en soldaten die dronken, rookten, kaartten of ruzie maakten. Zijn schilderijen zijn vaak klein van formaat, maar zitten vol levendige gezichtsuitdrukkingen en gebaren.

Een onverwachte connectie

Na de aanslagen in Brussel van 22 maart 2016 kwam een opmerkelijk detail over de kunstroof naar buiten.

Khalid El Bakraoui, die zichzelf tijdens de aanslagen opblies in het Brusselse metrostation Maalbeek, bleek betrokken te zijn geweest bij de onderhandelingen over het losgeld voor de gestolen kunstwerken.

Dat betekent overigens niet dat vaststaat dat El Bakraoui zelf in 2013 het Van Buuren Museum is binnengedrongen. Volgens latere Belgische berichtgeving heeft hij waarschijnlijk niet rechtstreeks aan de inbraak deelgenomen. Wel was hij betrokken bij de pogingen om geld van de verzekeraars te krijgen in ruil voor de gestolen kunst.

Op het moment van de kunstroof stond El Bakraoui onder elektronisch toezicht.

Volgens later onderzoek bestond het vermoeden dat geld dat met de gestolen kunst kon worden verkregen, gebruikt zou kunnen worden voor de financiering van terroristische activiteiten. Of geld uit deze kunstroof daadwerkelijk voor terrorisme is gebruikt, kan echter niet worden vastgesteld: de onderhandelingen mislukten en het losgeld werd niet betaald.

Nog altijd verdwenen

De onderhandelingen en het politieonderzoek leidden niet tot de terugkeer van de kunstwerken. La Penseuse, Garnalen en schelpdieren en de andere gestolen werken zijn nog altijd spoorloos.

De roof laat tegelijk de paradox van kunstdiefstal zien: hoe beroemder en waardevoller een kunstwerk is, hoe moeilijker het na een diefstal te verkopen is. In dit geval werden de werken daarom uiteindelijk gebruikt om te proberen losgeld af te persen.

 

La Penseuse – Kees van Dongen (1907)
Van de gestolen schilderijen is La Penseuse het enige werk waarvan we met zekerheid een afbeelding kunnen tonen.

Nog altijd een van de grootste mysteries

Nu jaren later zijn de zeven schilderijen nog steeds niet teruggevonden.
Of zij daadwerkelijk zijn verbrand, ergens verborgen liggen of ooit opnieuw zullen opduiken, weet niemand.
Daardoor blijft de roof uit de Kunsthal Rotterdam een van de grootste onopgeloste mysteries uit de geschiedenis van de internationale kunstcriminaliteit en een pijnlijke herinnering aan hoe kwetsbaar zelfs de beroemdste meesterwerken kunnen zijn.